Achter de schermen:
Hoe Als AI gaat werken is ontstaan – en waarom het boek leest zoals het leest
De eerste zinnen van een boek blijven zelden overeind in de finale versie. Ideeën verschuiven, hoofdstukken veranderen van plek en soms blijkt iets wat in het begin essentieel leek uiteindelijk helemaal niet nodig.
Bij Als AI gaat werken was dat niet anders.
Wel werd één overtuiging al vrij snel steeds belangrijker: AI gaat uiteindelijk vooral over mensen.
Over wat technologie doet met werk, verwachtingen, onderlinge verhoudingen en de ruimte om te leren. Over de vraag wie meekomt, wie bepaalt, wie twijfelt en wat er gebeurt wanneer AI steeds meer onderdeel wordt van het dagelijks werk.
Dat klinkt misschien vanzelfsprekend, maar nieuwe ontwikkelingen rond AI roepen vaak eerst een technologische reactie op. Er wordt een nieuw model aangekondigd, een nieuwe functie verschijnt of een toepassing kan ineens iets wat een paar maanden eerder nog onmogelijk leek. De eerste vragen gaan dan al snel over prestaties en mogelijkheden: welk model is het beste, welke tool moeten we gebruiken, wat kunnen we automatiseren en hoe snel kunnen we ermee beginnen?
In sommige bedrijven of afdelingen gaat dat nog een stap verder en wordt bewust vanuit een AI-first-principe gekeken: eerst onderzoeken wat AI mogelijk maakt en van daaruit het werk opnieuw vormgeven.
Voor mij werd een andere vraag steeds interessanter: wat gebeurt er als AI daadwerkelijk begint mee te draaien in het werk?
Wat verandert er dan aan gedrag, samenwerking, vertrouwen en eigenaarschap? Wat gebeurt er met vakmanschap wanneer werk sneller kan? Wat gebeurt er met mensen die graag mee willen, maar nog niet weten hoe? En wie geeft richting wanneer technologie al wordt gebruikt voordat beleid, taal en verantwoordelijkheden volledig zijn ingericht?
Daar begon langzaam de echte vorm van het boek te ontstaan.
Een positievere draai, zonder het ongemak weg te poetsen
Als AI gaat werken ontstond uit de wens om een positievere draai te geven aan de manier waarop we over AI praten. De risico’s mochten daarbij gewoon blijven staan en ook niet iedere technologische ontwikkeling hoefde automatisch als vooruitgang te gelden. Veel interessanter vond ik de vraag hoeveel invloed mensen nog steeds hebben.
Die invloed zit vaak niet in grootse strategieën of spectaculaire besluiten. Ze begint juist bij kleine keuzes die op het moment zelf nauwelijks bijzonder lijken.
Wie krijgt toegang tot een nieuwe tool? Welke toepassing wordt standaard aangeboden? Waar krijgt een team ruimte om te experimenteren? Welke taak wordt geautomatiseerd en welke blijft bewust menselijk? Wie mag meedenken over wat er verandert? En wat gebeurt er wanneer niemand expliciet kiest?
Ik zie het soms als een soort butterfly effect van het dagelijks werk. Een kleine beslissing kan later doorwerken in gedrag, cultuur, vertrouwen, kansen en de ruimte die andere mensen krijgen. Een teamleider die ruimte maakt om te leren, kan iets in beweging zetten dat maanden later nog voelbaar is. Een organisatie die vooral snelheid beloont, kan ongemerkt gedrag versterken dat pas veel later begint te schuren. En een tool die vandaag als praktische oplossing wordt aangeboden, kan morgen mede bepalen wat mensen normaal zijn gaan vinden.
AI verandert veel, maar veel van wat AI uiteindelijk wordt, begint nog steeds bij kleine menselijke keuzes.
Tijdens het schrijven kwam ik mezelf meerdere keren tegen
Verschillende keren ben ik mezelf tijdens het schrijven tegengekomen. Dat lijkt bijna inherent aan het schrijven van een boek, of je dat nu met of zonder hulp van AI doet.
Je ontdekt dat een gedachte die in je hoofd glashelder lijkt op papier ineens vaag wordt. Dat een favoriete passage misschien niet in het geheel past. Dat een zin waar je lang aan hebt gewerkt toch geschrapt moet worden. En soms merk je, juist doordat je iets helder probeert uit te leggen, dat je zelf nog niet precies weet wat je probeert te zeggen.
Misschien zit daar wel een groot deel van schrijven: niet alleen vastleggen wat je al weet, maar tijdens het schrijven ontdekken wat je werkelijk bedoelt.
Soms begon ik een hoofdstuk met een duidelijke overtuiging en eindigde ik met meer twijfel dan waarmee ik begon. Een scherpe stelling bleek te kort door de bocht, terwijl een lange uitleg soms ineens kon worden teruggebracht tot één zin die veel beter liet zien waar het werkelijk om draaide.
Schrijven werd zo ook een manier om ideeën te testen. Klopt dit echt? Ben ik hier te stellig? Maak ik iets ingewikkelder dan nodig? Of probeer ik een ongemakkelijke vraag juist te snel op te lossen?
Dat waren vaak de momenten waarop het boek beter werd, omdat duidelijker werd welke vraag werkelijk aandacht verdiende.
Niet alleen wat je wilt zeggen, maar wat er aankomt
Een gedachte hebben is iets anders dan haar zo overbrengen dat iemand anders er iets mee kan. Wat voor jezelf logisch voelt, kan voor een lezer abstract blijven. Een nuance die in je hoofd vanzelfsprekend is, kan op papier ontbreken. Een zin kan inhoudelijk kloppen en toch niets doen.
Bij AI kwam daar nog iets bij: het onderwerp is bijna eindeloos breed.
Vrijwel iedere organisatie, sector en beroepsgroep kan ermee te maken krijgen, maar steeds vanuit een ander vertrekpunt. Een ziekenhuis kijkt anders naar AI dan een marketingbureau. Een teamleider stelt andere vragen dan een ontwikkelaar, bestuurder of docent. En terwijl je schrijft, verschijnen alweer nieuwe modellen, toepassingen en verwachtingen.
De uitdaging was daarom om een toegankelijk boek te schrijven dat, voor zover dat bij AI überhaupt mogelijk is, ook zo tijdloos mogelijk zou blijven. De nadruk kwam minder op de nieuwste tools te liggen en meer op vragen die waarschijnlijk langer meegaan: wat wil je versterken? Wie krijgt ruimte om te leren? Wat gebeurt er met vertrouwen? Wanneer werkt iets echt, en wanneer lijkt het vooral indrukwekkend?
Dat vroeg om keuzes. Niet alles kon in het boek, niet iedere ontwikkeling hoefde erin en niet ieder voorbeeld verdiende een plek. Juist bij een onderwerp met bijna oneindig veel zijpaden werd weglaten misschien wel net zo belangrijk als toevoegen.
Ik wilde een vorm vinden waarin ook iemand met een heel ander vertrekpunt er iets mee kon. Iemand uit een andere sector, met meer technische kennis of juist minder, enthousiast over AI, kritisch, nieuwsgierig of nog vooral afwachtend.
Soms betekende dat vertragen en een gedachte meer ruimte geven. Soms moest een zin juist korter en scherper worden. Daar komt ook de soms stellige toon in het boek vandaan.
Niet iedere stellige zin is bedoeld als definitief antwoord. Soms helpt een scherpe uitspraak juist om iets zichtbaar te maken wat in eindeloze nuance gemakkelijk verdwijnt. Een lezer kan denken: ja, precies. Of juist: nee, hier ben ik het helemaal niet mee eens.
En misschien, of eigenlijk hopelijk, vervolgens willen uitzoeken waarom wel of niet.
Beide reacties kunnen even waardevol zijn.
Niet iedere stellige zin is bedoeld om te overtuigen. Soms is ze bedoeld om de lezer aan te zetten tot reflectie en actie.
Waarom het boek leest zoals het leest
Het boek heeft bewust een eigen leesstijl. En het is ook geschreven door een dyslect, vanuit mijn eigen ervaring met hoe tekst prettig of juist vermoeiend kan lezen.
Dat betekent niet dat iedere stijlkeuze perfect is of achteraf groter gemaakt hoeft te worden dan ze was. Sommige passages zullen voor de ene lezer precies werken en voor een ander te stellig, te repetitief of te eenvoudig voelen.
De vorm van het boek is bewust gegroeid. Sommige passages zijn kort, andere krijgen meer ruimte. Er zijn veel tussenkoppen, reflectievragen en zinnen die even op zichzelf mogen staan. Soms wilde ik tempo, soms juist vertragen. Soms moest een gedachte eerst eenvoudig worden neergezet voordat de nuance kon volgen, en soms mocht een vraag nog even blijven hangen zonder haar direct op te lossen.
Die vormkeuzes helpen hopelijk bij het lezen, maar ze bepalen ook hoe een tekst wordt ervaren en geïnterpreteerd. Dat laatste kun je als schrijver nooit volledig sturen.
Ook bepaalde woorden keren bewust terug: richting, ritme, vertrouwen, mensen en keuzes.
Niet omdat er geen synoniemen bestaan, maar omdat die begrippen op verschillende momenten iets anders laten zien. Vertrouwen tussen collega’s is niet hetzelfde als vertrouwen in een AI-systeem. Ritme in leren is iets anders dan ritme in besluitvorming. Richting in een strategie is iets anders dan richting geven terwijl je zelf ook nog niet alles weet.
Toch hangen die dingen samen.
Soms is herhaling overbodig. Soms krijgt een gedachte pas meer betekenis doordat je haar later, in een andere context, opnieuw tegenkomt. De kunst is weten wanneer het het één is en wanneer het het ander wordt.
En eerlijk gezegd lukt dat waarschijnlijk nooit perfect.
Het boek bleef bewegen
De uiteindelijke versie van Als AI gaat werken lijkt misschien vanzelfsprekend in haar vorm: vijf delen, tweeëntwintig hoofdstukken, terugkerende thema’s, reflectiekaders en bijlagen.
Maar zo begon het niet.
Het manuscript bleef voortdurend bewegen. Hoofdstukken veranderden van plek, passages verhuisden, sommige stukken werden samengevoegd en andere verdwenen volledig. Gedachten die eerst belangrijk leken, bleken later niet meer nodig. Een lange passage werd soms teruggebracht tot één alinea of één zin, terwijl een korte gedachte juist kon uitgroeien omdat er meer context nodig bleek.
Soms klopte een stuk op zichzelf, maar niet meer in het geheel. Dat is misschien een van de moeilijkere dingen aan schrijven: een passage kan goed zijn en toch moeten verdwijnen. Een hoofdstuk kan inhoudelijk kloppen en toch op de verkeerde plek staan. Een formulering kan mooi zijn en toch niet bijdragen aan wat het boek als geheel probeert te doen.
Soms is schrijven toevoegen. Misschien nog vaker is het beslissen wat niet hoeft te blijven.
Er werd gezocht naar betere overgangen, naar samenhang tussen delen en naar plekken waar het boek te snel ging of juist te lang bleef hangen. Naar herhaling die iets toevoegde en herhaling die alleen maar herhaling was.
Daarna volgden twee grondige inhoudelijke redactierondes waarin het volledige manuscript opnieuw werd bekeken op structuur, samenhang, helderheid, ritme, herhaling en toon.
Niet alles werd opnieuw geschreven, maar alles werd opnieuw bekeken.
Een compacte en intensieve manier van schrijven
Wat het schrijfproces met AI vooral veranderde, was de afwezigheid van wachttijd.
Je hoeft niet te wachten op iemand die tijd heeft om mee te lezen, op een sparringpartner, op feedback of op een volgend moment waarop je verder kunt. Vrijwel altijd is er een volgende stap mogelijk: een gedachte toetsen, een andere formulering proberen, een synoniem zoeken, varianten vergelijken, een voorbeeld vervangen of opnieuw naar de samenhang van een hoofdstuk kijken.
Daardoor kwam alles veel dichter op elkaar te liggen.
Een idee hoefde niet dagen te blijven liggen omdat ik op één woord vastliep of eerst iemand anders nodig had om verder te kunnen. Zeker in het begin gaf dat veel snelheid. Je kunt blijven schrijven, herschrijven, vergelijken en opnieuw proberen, zonder de natuurlijke onderbrekingen die in een menselijk proces bijna vanzelf ontstaan.
Precies daardoor werd het proces ook intensiever. Waar normaal gesproken vanzelf een pauze ontstaat, moet je die nu soms zelf afdwingen. Er is bijna altijd nog een volgende stap mogelijk: een betere formulering, een alternatief voorbeeld, een andere invalshoek of iets dat scherper, korter of toegankelijker kan.
Voor je het weet werk je in rondjes. Er is altijd nog een variant, een nieuwe mogelijkheid of een formulering die misschien beter is. Juist omdat er zoveel mogelijk blijft, kun je alsnog blijven hangen.
De vele keuzes maken vooruitgang dus niet vanzelfsprekend makkelijker. Uiteindelijk kom je verder door te kiezen, mogelijkheden los te laten en vast te houden aan een visie op wat je probeert te maken.
Sneller kunnen herschrijven betekent ook niet dat je minder hoeft te kiezen. Soms juist meer.
Dat maakte afstand nemen net zo belangrijk als doorgaan. Er waren momenten waarop ik bewust moest uitzoomen, het boek weglegde of simpelweg even stopte. Er waren ook momenten waarop ik klaar was met een hoofdstuk, met het onderwerp en af en toe zelfs met AI zelf.
Vaak bleek juist die afstand nodig om later weer te zien wat ik eerder niet meer kon zien.
Misschien was dat een van de vreemdste kanten van het proces: AI maakte het makkelijker om door te blijven gaan, waardoor het des te belangrijker werd om zelf te bepalen wanneer het tijd was om even niet verder te gaan.
Een betere formulering is niet automatisch een betere tekst
AI hielp tijdens het proces bij het zoeken naar woorden, synoniemen, alternatieve formuleringen en andere manieren om een gedachte op te bouwen. Ook bij het vergelijken van varianten, het zoeken naar samenhang en op momenten waarop ik zelf te lang naar dezelfde zin keek en geen beweging meer zag.
Soms kwam er precies het woord uit dat ik zocht. Soms een onverwachte formulering die iets openbrak. En soms iets dat grammaticaal beter, vloeiender of overtuigender klonk, maar waarvan ik toch wist: nee, dit is het niet.
Omdat het te glad werd, te zeker, te generiek of simpelweg niet meer zei wat ik werkelijk wilde zeggen.
Dat vond ik misschien wel een van de interessantste lessen van het proces.
Een betere formulering is niet automatisch een betere tekst.
Een zin kan mooier zijn en toch minder kloppen. Een passage kan overtuigender klinken dan de gedachte zelf rechtvaardigt. En een tekst kan korter worden en onderweg precies datgene verliezen wat hem menselijk, betekenisvol of eigen maakte.
Daarom bleef uiteindelijk steeds dezelfde vraag terugkomen: brengt dit werkelijk beter over wat ik probeer te zeggen?
Een verzorgde vorm zegt niet vanzelf hoeveel denkwerk, aandacht of kwaliteit erachter schuilgaat.
Dezelfde twijfel komt naar de werkvloer
Tijdens het schrijven merkte ik iets wat volgens mij op steeds meer werkvloeren voelbaar zal worden. We zijn gewend om vorm, inspanning en kwaliteit min of meer aan elkaar te koppelen: een uitgebreid rapport kost tijd, een scherpe tekst vraagt denkwerk en een overtuigend voorstel verraadt ervaring.
Maar die relatie wordt minder vanzelfsprekend.
Een collega kan met Copilot in twintig minuten een voorstel maken waar iemand anders twee uur voor nodig heeft. Een bijna perfect geformuleerde tekst kan oppervlakkig zijn, terwijl een eenvoudige of onvolmaakte tekst juist het resultaat kan zijn van veel ervaring, twijfel en zorgvuldigheid.
We kunnen daardoor steeds minder makkelijk aan de vorm zien hoeveel tijd of denkwerk ergens in zit. En misschien nog belangrijker: ook niet altijd hoe goed de inhoud werkelijk is.
Tegelijkertijd worden we steeds beter in het herkennen van patronen die we met AI associëren. Een bepaalde structuur, korte zinnen, lijstjes, contrasten of een opvallend gladde formulering kunnen al snel een oordeel oproepen over hoe iets tot stand is gekomen.
Dat gevoel kan kloppen. Maar soms vergissen we ons ongemerkt.
Een tekst kan in vijf seconden zijn gegenereerd, of het resultaat zijn van uren schrijven, herschrijven en schrappen. Iets kan uit gemak ontstaan, maar net zo goed uit aandacht. Aan de buitenkant is dat steeds minder eenvoudig te zien.
Wat gaan we dan waarderen? De zichtbare inspanning, de kwaliteit van het resultaat, het denkwerk erachter of de verantwoordelijkheid die iemand neemt voor wat er uiteindelijk ligt?
Misschien is dat ook een deel van het ongemak rond AI. Bestaande signalen van kwaliteit, inspanning en vakmanschap worden minder betrouwbaar, terwijl ons oordeel nog steeds nodig blijft.
AI maakt het mogelijk om sneller te produceren, maar misschien ook om sneller te oordelen.
En precies dat niet-weten maakt het spannend.
We lezen steeds sneller. De vraag is of we elkaar daardoor ook beter begrijpen.
Eigenlijk zoals zoveel boeken ontstaan
Misschien is het minst spectaculaire en tegelijkertijd eerlijkste antwoord op de vraag hoe Als AI gaat werken is gemaakt heel eenvoudig.
Het boek ontstond uit ideeën, ervaringen, gesprekken, observaties en aantekeningen. Daarna kwam het schrijven, teruglezen, schrappen, verplaatsen, herschrijven, laten lezen, redigeren en twijfelen. En uiteindelijk het moment waarop ik moest besluiten dat het goed genoeg was om los te laten.
Eigenlijk dus zoals zoveel boeken ontstaan.
Alleen stond er tijdens dat proces ook een nieuw hulpmiddel naast me. Een hulpmiddel dat sommige stappen versnelde, nieuwe mogelijkheden liet zien en me soms juist dwong scherper te kiezen.
De belangrijkste vragen bleven dezelfde: wat wil je zeggen, waarom wil je het zeggen en lukt het om dat zo over te brengen dat een ander er iets in kan herkennen, tegenin kan gaan of mee verder kan denken?
Lees vooral eerst zelf
Ik kan uitleggen waarom het boek leest zoals het leest, maar uiteindelijk kan ik niet bepalen hoe jij het ervaart. Daarom is er een uitgebreid inkijkexemplaar.
Lees een paar pagina’s en kijk hoe het ritme voelt, of de stijl bij je past en of de vragen iets losmaken. Koop het vooral niet als je merkt dat het niets voor je is; een boek van ruim tweehonderd pagina’s is te lang om je door een schrijfstijl heen te worstelen die je niet ligt.
Misschien vind je sommige zinnen te stellig of keren bepaalde woorden voor jouw gevoel te vaak terug. Misschien spreekt juist de combinatie van korte passages, langere overdenkingen en reflectievragen je aan.
Bepaal dat vooral zelf.
Voor iedere schrijver komt uiteindelijk een moment waarop een boek niet meer alleen van hem is. De één vindt bevestiging, de ander weerstand. Iemand slaat een hoofdstuk over, terwijl een ander precies die ene zin onderstreept waar je zelf nauwelijks bij stilstond.
Misschien hoort dat gewoon bij schrijven. Je probeert iets zo goed mogelijk over te brengen, blijft kiezen, schrapt en herschrijft, en op een gegeven moment laat je het los.
En mocht je besluiten het boek te gaan lezen, dan hoop ik vooral dat er drie, vier of vijf dingen in blijven hangen die voor jou iets betekenen. Misschien een gedachte die helpt om anders naar AI te kijken, een vraag die je meeneemt naar een gesprek of een inzicht dat je helpt om een kleine maar belangrijke keuze bewuster te maken.
Als ik daar met Als AI gaat werken een beetje aan heb kunnen bijdragen, dan is al mijn inspanning het waard geweest.
